bezorging

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·zor·ging
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bezorging bezorgingen
verkleinwoord bezorginkje bezorginkjes

Zelfstandig naamwoord

bezorging v

  1. het op locatie en/of bij iemand brengen (bv aan huis).
Synoniemen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be