bemanningslid

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·man·nings·lid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bemanningslid bemanningsleden
verkleinwoord bemanningslidje bemanningslidjes

Zelfstandig naamwoord

bemanningslid o

  1. een werknemer aan boord van een vlieg- of vaartuig
    • Het bemanningslid deelde zakjes uit aan de mensen die moesten overgeven. 
     Helemaal spannend werd het toen een bemanningslid op de helikopter schoot.[1]
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Suzanne Vermeer  All-inclusive”   (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2