associatief

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • as·so·ci·a·tief
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen associatief associatiever associatiefst
verbogen associatieve associatievere associatiefste
partitief associatiefs associatievers -

Bijvoeglijk naamwoord

associatief

  1. door verbinding van bewustzijnsinhouden en verwante voorstellingen (associatie) gevormd, daarop berustend

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be