• ach·ter·been
enkelvoud meervoud
naamwoord achterbeen achterbenen
verkleinwoord achterbeentje achterbeentjes

het achterbeeno

  1. (anatomie) een van de twee poten van een paard die het dichtst bij de staat en ver van de kop zitten (gebruikt door liefhebbers die bij paarden in plaats van 'kop' of 'poot' liever 'hoofd' en 'been' gebruiken)
  2. (techniek) een poot aan de achterkant van een apparaat


enkelvoud meervoud
naamwoord achterbeen achterbene
verkleinwoord

achterbeen

  1. (anatomie) achterbeen; een van de twee poten van een paard die het dichtst bij de staat en ver van de kop zitten


enkelvoud meervoud
naamwoord achterbeen achterbene
verkleinwoord

achterbeen

  1. (anatomie) achterbeen; een van de twee poten van een paard die het dichtst bij de staat en ver van de kop zitten


enkelvoud meervoud
naamwoord achterbeen achterbene
verkleinwoord

achterbeen

  1. (anatomie) achterbeen; een van de twee poten van een paard die het dichtst bij de staat en ver van de kop zitten


achterbeen

  1. (anatomie) achterbeen; een van de twee poten van een paard die het dichtst bij de staat en ver van de kop zitten


enkelvoud meervoud
naamwoord achterbeen achterbene
verkleinwoord

achterbeen

  1. (anatomie) achterbeen; een van de twee poten van een paard die het dichtst bij de staat en ver van de kop zitten


achterbeen

  1. (anatomie) achterbeen; een van de twee poten van een paard die het dichtst bij de staat en ver van de kop zitten