aanbaksel

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·bak·sel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aanbaksel aanbaksels
verkleinwoord aanbakseltje aanbakseltjes

Zelfstandig naamwoord

aanbaksel o [1]

  1. (kookkunst) aan pan vastgebakken laag voeding ontstaan na te lange of te hoge verhitting
    • Het aanbaksel kon alleen d.m.v. een staalborstel worden verwijderd. 
Vertalingen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen