Noordzeestrand

Nederlands

 
1. Het Noordzeestrand bij Renesse  .
Uitspraak
Woordafbreking
  • Noord·zee·strand
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord Noordzeestrand Noordzeestranden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

Noordzeestrand o

  1. (aardrijkskunde) strook met zand bedekt land langs de kust van het water tussen Groot-Brittannië, Noorwegen, Denemarken, Duitsland, Nederland en België
     Terwijl Nederland maandenlang in korte broek, T-shirt of een luchtige zomerjurk ronddartelde, of zich in half ontblote toestand uitvouwde in het mulle zand van een Noordzeestrand, zaten zij binnen.[1]
     Het aantal aangespoelde bruinvissen langs de Noordzeestranden is de afgelopen drie decennia toegenomen.[2]

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Rianne van Dijck “Ziek van licht” (28 augustus 2020) op nrc.nl
  2.   Weblink bron Gemma Venhuizen “Langs de Noordzee spoelen steeds vaker bruinvissen aan” (20 augustus 2020) op nrc.nl