Kokosnuss

Duits

Uitspraak
  • IPA: /ˈkoːkɔsnʊs/
Woordafbreking
  • Ko·kos·nuss

Zelfstandig naamwoord

Kokosnuss v

  1. (plantkunde) kokosnoot
    «Wer hat die Kokosnuss geklaut?»
    Wie heeft de kokosnoot gestolen?
Verbuiging