En Karrich
Een kerk
  • Kar·rich
enkelvoud
(onbepaald)
enkelvoud
(bepaald)
meervoud
(onbepaald)
meervoud
(bepaald)
nominatief en Karrich die Karrich Karriche die Karriche
datief re Karrich der Karrich Karriche de Karriche
accusatief en Karrich die Karrich Karriche die Karriche

Karrich, v

  1. (religie) kerk
    «Sell hawwich drauerich gefunne, en alde Karrich, un kee Gottesdinscht meh.»
    Ik vond dit triest, een oude kerk en geen aanbidding meer.