бабушка

Russisch

Uitspraak
enkelvoud meervoud
nominatief ба́бушкa ба́бушки
genitief ба́бушки ба́бушек
datief ба́бушке ба́бушкам
accusatief ба́бушку ба́бушек
instrumentalis ба́бушкой ба́бушками
locatief ба́бушке ба́бушках


Woordafbreking

ба́-буш-ка

Zelfstandig naamwoord

бабушка v

  1. (familie) grootmoeder, oma
    «Моя бабушка по материнской линии.»
    Mijn oma van moederskant.
  2. oude vrouw
  3. oud wijf, dat overal een mening over heeft