zwempoot


Nederlands

 
eend met oranje zwempoten
Uitspraak
Woordafbreking
  • zwem·poot
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zwempoot zwempoten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

zwempoot m [1]

  1. poot met zwemvliezen tussen de tenen zodat een watervogel goed kan zwemmen
Vertalingen

Gangbaarheid

54 % van de Nederlanders;
66 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen