zilverling

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zil·ver·ling
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zilverling zilverlingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

zilverling m [2]

  1. (verouderd) een zilveren munt, vooral bekend uit de bijbel, waarin Judas 30 zilverlingen krijgt voor het verraden van Jezus
    • De formatie is als een nachtkaars uitgegaan. Het is Tjeenk Willink niet gelukt om de partijen dichter bij elkaar te brengen. GroenLinks-leider Klaver toonde ook ditmaal zijn ware gezicht. Dat van Judas. Die deed het tenminste nog voor wat zilverlingen. Wat Klaver bezielde weet niemand. De formatie ging de goede kant op. Eindelijk zou je denken. Maar toch kwam Klaver terug op zijn eerder gedane afspraak.[3] 
    • Weet je trouwens wat nog erger is? Te vroeg applaudisseren. Ik flikte het zelf een keer bij de Matthäus Passion, nadat de Evangelist had verteld wat het antwoord van de hogepriesters aan Judas was: „En zij boden hem dertig zilverlingen / Vanaf dat moment zocht hij naar een / gelegenheid om Hem te verraden.”[4] 
Synoniemen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen