zaaitijd

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zaai·tijd
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zaaitijd zaaitijden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

zaaitijd m

  1. de periode waarin gezaaid kan worden
    • Een deel van de gewassen en planten heeft het voorjaar als zaaitijd. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be