woninginbraak

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wo·ning·in·braak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord woninginbraak woninginbraken
verkleinwoord woninginbraakje woninginbraakjes

Zelfstandig naamwoord

woninginbraak v/m

  1. het oneigenlijk toegang verschaffen tot een woning van een ander waarbij er doorgaans waardevolle materialen uit de woning worden weggenomen
    • Een woninginbraak geeft naast materiële ook emotionele schade. 
Verwante begrippen


Meer informatie