wezenloos

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • we·zen·loos
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen wezenloos wezenlozer wezenloost
verbogen wezenloze wezenlozere wezenlooste
partitief wezenloos wezenlozers -

Bijvoeglijk naamwoord

wezenloos

  1. gedachteloos, versteend, nog net niet bewusteloos
    • De man zat wezenloos voor zich uit te staren. 
     `Vind je niet dat Venetië ook iets triests heeft? Als je Piazza San Marco zo overziet, zou je objectief gezien moeten vaststellen dat het er druk is. Toch maakt het plein een wezenloze en verlaten indruk, alsof het met zijn gedachten ergens anders is.[1]

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Pfeiffer, Ilja Leonard   “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers  , ISBN 978-90-295-2622-7, p. 27
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be