Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • weet·al
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord weetal weetallen
weetals
verkleinwoord weetalletje weetalletjes

Zelfstandig naamwoord

weetal m [2]

  1. iemand die veel weet
  2. iemand die denkt alles beter te weten dan anderen

Gangbaarheid

46 % van de Nederlanders;
58 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen