waterdier

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wa·ter·dier
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord waterdier waterdieren
verkleinwoord waterdiertje waterdiertjes

Zelfstandig naamwoord

waterdier o

  1. dier dat in het water leeft

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be