vishandel

Nederlands

 
vishandel op straat
Uitspraak
Woordafbreking
  • vis·han·del
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vishandel vishandels
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

vishandel m [1]

  1. viswinkel of viskraam
    • Een inspecteur van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) bezoekt elke maand tientallen restaurants, toko’s, bakkerijen, slagerijen en vishandels. [2] 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC 2 augustus 2016
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be