• ver·pop·ping
enkelvoud meervoud
naamwoord verpopping verpoppingen
verkleinwoord

de verpoppingv [1]

  1. een bij veel insecten voorkomend proces waarbij de larve zich transformeert tot een volwassen insect (imago)
     Laat in de zomer gaan de rupsen die binnen in de stengel aan het smikkelen zijn, in zogenoemde 'diapause', een soort zomerrust voordat het harde werk van de verpopping begint.[2]
     ‘De sluipwesplarven die uitkomen in de geparasiteerde rups hebben, na hun verpopping, maar één doel: een rups vinden waarin ze hun eitjes kunnen leggen. De rups zelf verraadt zijn aanwezigheid natuurlijk niet, maar de plant die door hem wordt aangevreten, wél. Die scheidt geurstoffen af die de sluipwesp aantrekken. In het lab spelen wij de rol van de plant en bieden zelfgekozen geurstoffen aan de wesp aan, met daarbij een gastheer als beloning. Zo kunnen we de wesp binnen een paar seconden leren associëren en reageren op bijvoorbeeld een explosief of een ziekenhuisbacterie.’[3]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. “Darwin in de stad” (2018), Atlas Contact  , ISBN 9789045036267
  3.   Weblink bron “Sluipwespen verslaan speurhond” (30 maart 2015), NewScientist