• ver·moei·lij·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vermoeilijken
vermoeilijkte
vermoeilijkt
zwak -t volledig

vermoeilijken

  1. overgankelijk ingewikkelder of lastiger maken
     Welke variant het ook is: hoofdpijn kan je leven flink vermoeilijken.[2]
     Dit verstoren van criminele netwerken is een streven van de politie en het CCV, legt Olsthoorn uit. (…) Naast dit "persoonsgericht arresteren" kan de productie ook verstoord worden door de aanschaf te vermoeilijken van grondstoffen of machines.[3]
  2. ergatief ingewikkelder of irritanter worden
     Doch de zake vermoeilijkt als men wilt antwoorden op de volgende vrage: Welke streke heeft Caesar bedoeld met de woorden ‘niet verre van de zee’?[4]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2.   Weblink bron
    Elsemieke Wormhoudt
    “Dit zijn de verschillende soorten hoofdpijn (en zo ga je ermee om)” (11 januari 2023) op nu.nl  
  3.   Weblink bron
    Thomas Kragten
    “Strijd tegen drugscriminaliteit: Moeten gebruikers in de spiegel kijken?” (13 april 2018) op nu.nl  
  4.   Weblink bron
    Edmond Denys
    Waar woonden de Menapieren? in: Biekorf., jrg. 3 nr. 3 (januari 1892), Gebr. De Plancke, Brugge, p. 42