uitvechten

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·vech·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitvechten
vocht uit
uitgevochten
klasse 3 volledig

Werkwoord

uitvechten [1]

  1. overgankelijk door te vechten tot een beslissing komen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen