uitluiden

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·lui·den
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

uitluiden [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitluiden
luidde uit
uitgeluid
zwak -d volledig
  1. onder het luiden van klokken iets feestelijk doen eindigen / iets beëindigen in het algemeen
    • In de tent wordt house en dancemuziek gedraaid, van discjockey's als Rutger van Gelder en Gilian Danieli. Vanavond vanaf ongeveer half elf zal de populaire en bekende dj Billy the Kit het festival uitluiden. Tegen die tijd zal het publiek waarschijnlijk vooral genieten van de muziek, de drankjes en elkaar. Want de gedachte dat Nederland bijna zeventig jaar geleden werd bevrijd, leeft nauwelijks onder de festivaljeugd.[2] 
  2. klokken laten klinken bij een begrafenis
    • Even hoor je op Bow Roundabout alleen honderden fietsbellen, als licht tinkelende windklokken die de vierde fietsdode in acht dagen uitluiden. De fietsers bezetten de rotonde. Maar het duurt hoogstens één minuut voor automobilisten luid beginnen te toeteren: ‘wij moeten door, weg jullie fietsers’.[3] 
  3. afscheid nemen van het oude jaar

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Tubantia 05-MEI-2014
  3. NRC Titia Ketelaar 19 november 2013