uithangen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·han·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uithangen
hing uit
uitgehangen
klasse 7 volledig

Werkwoord

uithangen [2]

  1. overgankelijk iets ruim ophangen
    • We moesten de was uithangen om deze te laten drogen. 
     Nog voordat ik mijn pakken en overhemden ging uithangen in de kleerkast in de achterkamer, voerde ik het ritueel uit waarmee ik het bureau als mijn territorium markeerde.[3]
  2. (figuurlijk) ergens verblijven
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen