uitgaanscentrum


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·gaans·cen·trum
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord uitgaanscentrum uitgaanscentra
uitgaaanscentrums
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

uitgaanscentrum o [1]

  1. deel van een stad waar meerdere uitgaansgelegenheden zoals cafés, restaurants en dancings aanwezig zijn
     De politie heeft opnieuw iemand opgepakt in verband met de aanslag in Londen. Het is een 19-jarige man uit de Londense wijk Barking. Hij wordt verdacht van betrokkenheid bij de voorbereiding of uitvoering van de aanslag op London Bridge en het nabijgelegen uitgaanscentrum Borough Market.[2]
     Rond die tijd openen ook mannen het vuur in een druk uitgaanscentrum in het tiende en elfde arrondissement. Met automatische geweren, op één plek vanuit een rijdende auto, wordt minutenlang op de terrassen van bars en restaurants geschoten. Op meerdere plekken worden bij elkaar bijna veertig mensen doodgeschoten.[3]

Gangbaarheid


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2.   Weblink bron “Wekdienst van 12 juni: dit gebeurde terwijl je sliep” (Maandag 12 juni 2017, 07:17), NOS
  3.   Weblink bron “Overzicht: 127 doden in Parijs, 80 mensen in kritieke toestand” (Zaterdag 14 november 2015, 09:03), NOS