tuintafel

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tuin·ta·fel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tuintafel tuintafels
verkleinwoord tuintafeltje tuintafeltjes

Zelfstandig naamwoord

tuintafel v/m

  1. (meubel) een tafel die in de tuin kan staan
    • De mooie teakhouden tuintafel staat alleen in de zomer in de tuin. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be