tuinstoel
- tuin·stoel
- samenstelling van tuin en stoel
enkelvoud | meervoud | |
---|---|---|
naamwoord | tuinstoel | tuinstoelen |
verkleinwoord | tuinstoeltje | tuinstoeltjes |
de tuinstoel m
- een weersbestendige stoel, vaak van plastic, metaal of teakhout, die men in de tuin kan gebruiken.
- Tijdens de zomervakantie zitten we vaak in comfortabele tuinstoelen te genieten in de tuin van het mooie weer.
- ▸ Ik trok er een plastic tuinstoel bij en kwam daar de rest van de dag niet meer van af.[1]
- ▸ "Zorg er ook voor dat bijvoorbeeld tuinstoelen zijn opgeborgen", geeft Geijs de inwoners van de drie Caribische eilanden een tip. "Als die door de wind gaan rondslingeren, kunnen die ook voor schade zorgen."[2]
- Het woord tuinstoel staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "tuinstoel" herkend door:
99 % | van de Nederlanders; |
100 % | van de Vlamingen.[3] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ Tim Voors“Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers
- ↑ Weblink bron “Paniek op Curaçao door mogelijk eerdere aankomst tropische storm Bonnie” (29 juni 2022), NU.nl
- ↑ Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be