toehalen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • toe·ha·len
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

toehalen [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
toehalen
haalde toe
toegehaald
zwak -d volledig
  1. wederkerend naar zich toehalen: zich directer ergens mee bemoeien; ergens de verantwoordelijkheid voor nemen
    • Het kabinet laat zich volgens hem gijzelen door een bezuinigingsdiscussie. Wat het zou moeten doen, is 'het initiatief naar zich toehalen, zekerheid verschaffen, zijn hervormingsagenda uitdragen: uitleggen wat het van het plan is met de huizenmarkt, de arbeidsmarkt, de gezondheidszorg. Dan krijgen consumenten weer vertrouwen en gaan ze weer uitgeven. Dat heeft de economie nodig.' [2] 
    • Staatssecretaris Fred Teeven (Veiligheid en Justitie) wil dat veroordeelden voortaan binnen 30 dagen na de uitspraak beginnen aan het uitzitten van hun straf. Teeven wil de organisatie van de strafuitvoering dichter naar zich toehalen, omdat het via het Openbaar Ministerie nu niet goed loopt. Hij heeft daarvoor een wetsvoorstel gemaakt, zei hij vanmorgen in het tv-programma WNL op Zondag. [3] 
  2. dichttrekken

Gangbaarheid

80 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen