toebijten

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • toe·bij·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
toebijten
beet toe
toegebeten
klasse 1 volledig

Werkwoord

toebijten

  1. ditransitief op snauwende wijze iemand iets meedelen
    • Hij kreeg toegebeten dat hij zijn mond te houden had. 

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be