tafelheer


Nederlands

 
tafelheer en tafeldame
Uitspraak
Woordafbreking
  • ta·fel·heer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tafelheer tafelheren
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

tafelheer m [1]

  1. man die de presentator van een talkshow assisteert
     In Studio Voetbal blikken de tafelheren vooruit op Ajax-Tottenham Hotspur.[2]
     Van Nieuwkerk en zijn vaste vrijdagse tafelheer Marc-Marie Huijbregts ("We zijn bevriend, we gingen altijd samen eten na de uitzending") moesten het samen doen. "We gaan de zolder opruimen", had Huijbregts gezegd.[3]
  2. buurman van een dame tijdens een maaltijd, man die links van de dame zit
Synoniemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2.   Weblink bron “'Son kan elke verdediging pijn doen, ook die van Ajax'” (05-05-2019), NOS
  3.   Weblink bron “Afscheid van De Wereld Draait Door: 'Het avontuur zit erop, fijn dat u keek'” (27-03-2020), NOS