Hoofdmenu openen

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sla·scho·tel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord slaschotel slaschotels
verkleinwoord slaschoteltje slaschoteltjes

Zelfstandig naamwoord

slaschotel v / m

  1. (voeding) gerecht met als hoofdbestanddeel sla en/of rauwe groente met een dressing

Gangbaarheid