ritseling

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rit·se·ling
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ritseling ritselingen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

ritseling

  1. het ritselen
Vertalingen

Gangbaarheid

84 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be