perimeter

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pe·ri·me·ter
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘instrument om het gezichtsveld te meten’ voor het eerst aangetroffen in 1929 [1]
  • afgeleid van meter met het voorvoegsel peri- [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord perimeter perimeters
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

perimeter m

  1. omtrek
  2. meetinstrument waarmee de uitgestrektheid van het gezichtsveld wordt gemeten
Verwante begrippen

Gangbaarheid

75 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen