pathefoon


Nederlands

 
pathefoon
Uitspraak
Woordafbreking
  • pa·the·foon
Woordherkomst en -opbouw
  • vernoemd naar de Fransman Charles Pathé (1863-1957) [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord pathefoon pathefoons
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

pathefoon m

  1. (techniek) platenspeler met een hoorn
Synoniemen

Gangbaarheid

39 % van de Nederlanders;
20 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen