Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pak·aan
Woordherkomst en -opbouw
  • zelfstandig gebruik van de gebiedende wijs van aanpakken [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord pakaan pakaans
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

pakaan

  1. iets wat je kan vastgrijpen, handgreep, leuning
  2. iemand die meteen goed aan het werk gaat

Gangbaarheid

26 % van de Nederlanders;
25 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen