opzetter


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·zet·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord opzetter opzetters
verkleinwoord opzettertje opzettertjes

Zelfstandig naamwoord

opzetter m [1]

  1. iemand die dieren prepareert zodat ze tentoongesteld kunnen worden
    • Maar gaandeweg verschuift de aandacht van de opzetters en hun problemen naar de eigenaars van de beesten en hun beweegredenen. [2] 
    • Samen met een taxidermist (een opzetter van dieren) omwikkelde ze de vis met in formaline gedrenkte doeken, in de hoop hem in elk geval goed te kunnen houden tot een ichtyoloog (vissendeskundige) hem zou onderzoeken. [3] 
  2. iemand die een activiteit start
    • Fons van Westerloo (50) is in Nederland kampioen opzetter van televisiezenders. Of beter uitgedrukt - corrigeert hij gezeten in de Amsterdamse burelen van SBS6, waarvan hij thans directeur is - “opzetten of uit het slop halen”. [4] 
Synoniemen

Gangbaarheid

84 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Jeroen van der Kris 28 november 1997 Beesten zijn tenminste betrouwbaar
  3. NRC Felix Eijgenraam 14 maart 1992 LEVENDE MONSTERS UIT DE OERTIJD
  4. NRC Raymond van den Boogaard 25 januari 1997 SBS6-directeur Fons van Westerloo: 'Hoe rommelig ook, televisie is tóch een vak'
  5.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be