Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·ge·zegd
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen ongezegd
verbogen ongezegde
partitief ongezegds

Bijvoeglijk naamwoord

ongezegd [1]

  1. niet besproken, niet in woorden te vatten; niet verbaal geuit
    • In ‘Borgman’ zorgt de Vlaamse acteur Jan Bijvoet voor een nachtmerrie. Hij prijst de aanpak van regisseur van Warmerdam. “Ik hou van wat ongezegd blijft, maar wat je kunt voelen. Als je precies weet wat je moet overbrengen, dan doe je je best om dat over te brengen. Maar dat is niet genoeg om iets bijzonders te bereiken.” [2] 
    • Daarom heb ik ook mijn levensverhaal aan het papier toevertrouwd. Er waren een aantal dingen die ik toch graag wilde vastleggen voor als ik er niet meer ben. Natuurlijk heb ik veel interviews gegegeven in mijn leven, maar er zijn toch altijd dingen die ongezegden. Vandaar. Nee, dat verhaal over mijn zoon en zijn gezin staat er niet in. [3] 
    • "De acteurs in Keeper spelen zo naturel en sympathiek. Ik ben sowieso fan van Waalse films. Er zijn veel omslagen in de film waarin verwachte scènes worden overgeslagen en veel ongezegdblijft [4] 
Synoniemen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[5]


Verwijzingen