onafzienbaar

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·af·zien·baar
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen onafzienbaar onafzienbaarder onafzienbaarst
verbogen onafzienbare onafzienbaardere onafzienbaarste
partitief onafzienbaars onafzienbaarders -

Bijvoeglijk naamwoord

onafzienbaar

  1. heel veel
    • Het duurt nog een onafzienbare tijd todat hij zijn examen haalt. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be