omgooien

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • om·gooi·en
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omgooien
gooide om
omgegooid
zwak -d volledig

Werkwoord

omgooien

  1. omduwen, iets van een verticale naar een horizontale positie duwen
    • De jongen gooide de vaas met bloemen per ongeluk om. 
  2. plotseling (de volgorde van handelingen) veranderen
    • Door de grote ramp werd het uitzendprogramma helemaal omgegooid 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be