Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • net·hemd
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord nethemd nethemden
verkleinwoord nethemdje nethemdjes

Zelfstandig naamwoord

het nethemdo [2]

  1. (kleding) een onderhemd met mazen
     Komzei ze en ze nam me mee naar buiten en belde aan bij de buren. Een wantrouwig type in een nethemd met een sigaret in zijn ene mondhoek deed bij de tweede keer bellen open.[3]

Gangbaarheid


Verwijzingen