• nacht·bel
enkelvoud meervoud
naamwoord nachtbel nachtbellen
verkleinwoord

de nachtbelv / m

  1. (huis)bel die men 's nachts kan gebruiken om contact met iemand te maken
    • Mensen die het slachtoffer zijn van een misdrijf, kunnen dag en nacht bij de politie terecht, ook in de wijkposten via een nachtbel. Ik denk dus niet dat er minder aangiftes worden gedaan worden', zegt hij.[2] 
    • Bij hotel S. moest ik de nachtbel gebruiken. De nachtportier deed open. Nog voor hij iets kon zeggen zei ik, 'het is mijn eigen schuld, ik neem alle verantwoordelijkheid op me, ik heb zoveel champagne gedronken dat in mijn maag een maïsveld is ontstaan.[3] 
93 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[4]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard 05 DECEMBER 2007 Hasselt heeft hoog veiligheidsgevoel
  3. NRC Arnon Grunberg 2 februari 1996 Kakkerlak
  4.   Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be