• lo·ka·le

lokale

  1. verbogen vorm van de stellende trap van lokaal
     Een potje schieten hoort er voor de lokale rednecks in de woestijn kennelijk gewoon bij in het weekend.[1]
  1. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  


  • lo·ka·le
  • Afkomstig van het Franse woord local, dat van het Latijnse bijvoeglijke naamwoord localis afgeleid is, dat weer van het Latijnse zelfstandige naamwoord locus komt

lokale, g / o

  1. bepaalde vorm enkelvoud van de stellende trap van lokal

lokale, mv

  1. onbepaalde en bepaalde vorm meervoud van de stellende trap van lokal
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   lokale     lokalet     lokaler     lokalerne  
genitief   lokales     lokalets     lokalers     lokalernes  

lokale

  1. locaal, lokaal


  • lo·ka·le
Naar frequentie 2815

lokale, m / v / o

  1. bepaalde vorm enkelvoud van de stellende trap van lokal

lokale, mv

  1. onbepaalde en bepaalde vorm meervoud van de stellende trap van lokal


  • lo·ka·le

lokale, m /v / o

  1. bepaalde vorm enkelvoud van de stellende trap van lokal

lokale, mv

  1. onbepaalde en bepaalde vorm meervoud van de stellende trap van lokal