• lo·kal
  • Afkomstig van het Latijnse woord locus.

lokal

  1. lokaal, locaal, plaatselijk
    «Han ble tatt som gissel sammen med en lokal tolk.»
    Hij werd gegijzeld samen met een lokale tolk.
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald
(sterk)
m/v enkelvoud lokal lokalere lokalest
o enkelvoud lokalt
meervoud lokale
bepaald
(zwak)
enkelvoud en
meervoud
lokale lokalere lokaleste


  • lo·kal
  • Afkomstig van het Latijnse woord locus.

lokal

  1. lokaal, locaal, plaatselijk
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald
(sterk)
m/v enkelvoud lokal lokalare lokalast
o enkelvoud lokal
meervoud lokale
bepaald
(zwak)
enkelvoud en
meervoud
lokale lokalare lokalaste