leraarschap

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • le·raar·schap
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord leraarschap leraarschappen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

leraarschap o [1]

  1. alles wat hoort bij het leraar zijn
    • Willoughby zelf vindt zijn daad de normaalste zaak van de wereld. De leraar, die zelf twee dochters heeft, vertelt dat zijn actie vooral voortkomt uit goed leraarschap. ,,Het gaat niet om mij, ik wil er als docent voor mijn leerlingen zijn." Hij vervolgt: ,,Ik wilde niet dat ze zich oncomfortabel zou voelen vanwege Milie, want er was niets waar ze zich voor hoefde te schamen." De leraar zou de kleine dan ook zonder aarzelen weer een les lang op zijn arm dragen. ,,Zorgen voor anderen in tijden van nood, of zelfs wanneer dat niet het geval is, dat is zoals God het bedoeld heeft."[2] 
    • Schooldirecteuren en politici wringen zich in allerlei bochten om oplossingen te genereren. In dit streven lijkt de kwaliteit van het leraarschap van mineur belang te zijn, op z`n minst een kwestie die naar een later stadium ter oplossing kan worden doorgeschoven. Dat hebben we eerder meegemaakt.[3]  
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Tubantia Esther de Kloe 11-01-2017
  3. NRC Drs. H.R. Bontekoe Leusden 27 oktober 2007