kuipstoel

Nederlands

 
kuipstoel
Uitspraak
Woordafbreking
  • kuip·stoel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kuipstoel kuipstoelen
verkleinwoord kuipstoeltje kuipstoeltjes

Zelfstandig naamwoord

kuipstoel m

  1. (meubel) een stoel waarvan de rugleuning en de armleuningen samen een kommetje vormen
    • De moderne kuipstoel heeft een bolvormige achterzijde. 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be