kissebissen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kis·se·bis·sen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘vitten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1784 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kissebissen
kissebiste
gekissebist
zwak -t volledig

Werkwoord

kissebissen

  1. inergatief langdurig een twistgeprek voeren
    • Zij zaten weer de hele tijd te kissebissen. 
Synoniemen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
54 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen