jazeker

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ja·ze·ker
Woordherkomst en -opbouw

Tussenwerpsel

jazeker

  1. een bevestiging die alle onzekerheid ontkent
    • "Jazeker!" zei hij en haalde de gevraagde sleutel uit zijn zak. 
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be