ijsbloem

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ijs·bloem
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ijsbloem ijsbloemen
verkleinwoord ijsbloemetje ijsbloemetjes

Zelfstandig naamwoord

ijsbloem v / m

  1. afzettingen van ijskristallen (op een koud raam) die vanwege hun vorm lijken op bloemen
    • Ik kom aan in een steenkoud huis. Voor haar vertrek heeft de comtesse waarschijnlijk de verwarming op de laagste stand gezet, want er staan ijsbloemen op mijn ramen en onder de vensterbanken hebben zich ijspegels gevormd.[1]  

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Spoor, Hendricke Vader en dochter 2015 ISBN 978-94-6003896-9 pagina 226
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be