ijsappel


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ijs·ap·pel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ijsappel ijsappels
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

ijsappel m

  1. gekoelde appel

Gangbaarheid

50 % van de Nederlanders;
60 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen