heropbouwen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • her·op·bou·wen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
heropbouwen
(bouwde weer op)
bijzin heropbouwde
heropgebouwd
zwak -d volledig

Werkwoord

heropbouwen

  1. overgankelijk weer tot stand brengen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen