gestumper


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·stum·per
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gestumper
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gestumper o

  1. het op een onhandige manier handelen zoals past bij een stumper
    • Ik zie mijn groepsgenoten in een rijtje voor me uit gaan en concludeer: dit gaat ’m niet worden. Gerards omschrijving: “Springen met twee voeten, alleen de ene voet hoger optrekken, maar wel tegelijk laten neerkomen met de andere,” maakt het er niet eenvoudiger op. “Jullie begrijpen, hier kom ik op terug”, zegt Gerard met enig leedvermaak als hij met name míjn gestumper ziet. [1] 
    • Wij Nederlanders hebben wel wat met oranje. Nee, niet ontkennen, hoe republikeins de opvatting ook mag zijn of hoe anti-Bhagwan u vroeger bent geweest. De nationale kleur is oranje en daar kan ook dat gestumper van ons voetbalelftal geen verandering in brengen. [2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

76 % van de Nederlanders;
41 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. De Telegraaf 04 jan. 2016 'Mijn gestumper leidt tot leedvermaak'
  2. De Telegraaf JEROEN JONGENEEL 11 mrt. 2016 Column Jeroen Jongeneel: ORANJE
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be