geklungel

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·klun·gel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord geklungel
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

geklungel o

  1. het onhandige handelen
    • Het geklungel van de dronken timmerman zorgde voor een scheve tafel. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be